Huis van de Ridderschap
Op deze locatie stond van ca. 1600 tot 1812 het huis waar de Ridderschap vergaderde als zij in Rijnsburg waren voor het uitoefenen van hun beheertaak met betrekking tot de nagelaten abdijgoederen.
Geschiedenis – Na de verwoesting van de Abdij van Rijnsburg in 1574 bleef van de trotse gebouwen slechts een ruïne over. De abdij bleef echter bestaan als instituut. Zij bezat als zodanig nog vele boerderijen, landerijen en zelfs hele dorpen, waaronder plaatsen als Aalsmeer, Boskoop en Vrouwenvenne (het huidige Oud Ade).
Prins Willem van Oranje benoemde in eerste instantie zijn vertrouweling Dirk van Kessel tot rentmeester van de nagelaten goederen. Tien jaar later, in 1584, herkreeg de één-na-laatste abdis Stephana van Rossum het beheer over de abdijgoederen, met als medebeheerder de Ridderschip van het gewest Holland. De Ridderschap was een bestuurlijk adviescollege van de Staten van Holland en later ook van Willem van Oranje en zijn bestuurlijke opvolgers.
De Ridderschap hield haar samenkomsten in een nieuw gebouw, opgetrokken op de plaats waar voorheen een eenvoudig poortgebouw stond dat toegang gaf tot het Hof, zoals het abdijterrein genoemd werd. Dit alles op de locatie waar U nu staat. Het gebouw bezat naast een vergaderruimte ook enkele gevangeniscellen.

1729 – Het hof te Rijnsburg, gezien vanuit het zuiden met rechts het Huis van de Ridderschap; onder het poortje door kijken we de huidige Kerkstraat in.
In 1795 werd de Ridderschap opgeheven en verviel het beheer van de abdijgoederen aan de Domeinen van Holland. Het gebouw had hierna geen functie meer, kwam leeg te staan en werd uiteindelijk in 1812 gesloopt, samen met wat er nog over was van de ruïne van de abdij.

1753 – Achter de middelste boom is nog net het
Hof van Rijnsburg te zien, met links de herbouwde parochiekerk en rechts restanten van de abdijruïne.
Opmerkelijk: het Ridderschapshuis werd ook nog kort gebruikt door het Hoogheemraadschap van Rijnland. Dit waterschap bestond al lang voordat zij op deze plek hun vergaderingen belegden. De eerste vermelding dateert uit 1255 toen Graaf Willem II van Holland vastlegde dat voorgenomen waterwerken in de wijde omgeving eerst aan hen moesten worden voorgelegd. Het Hoogheemraadschap van Rijnland is daarmee het oudst van de 21 waterschappen die Nederland telt. De basis van het Hoogheemraadschap lag in de samenwerking van 24 ambachten in de omgeving van Leiden die belang hadden bij een goede afvoer van water. Zij vormt daarmee het eerste openbare bestuursorgaan waarin gewone burgers invloed konden uitoefenen op het bestuur. In dit geval op de waterhuishouding in hun woon- en werkomgeving.
