Historisch Centrum van Rijnsburg
Op deze plek ontstond in het begin van de 6e eeuw de vroeg-middeleeuwse nederzetting Rodulfsheim, waarschijnlijk vernoemd naar de eerste ‘settler’, ene Rodulf. Uit deze vroegste jaren van het dorp Rijnsburg is weinig teruggevonden, behalve bij opgravingen de contouren van mogelijk de eerste primitieve woonstalhuizen. Zie ook het hoofdstuk ‘Historische context’ in het verhaal over het Merovingische Grafveld.
Ruim drie eeuwen later, eind 9de eeuw, werd rond de kern van de toenmalige nederzetting een ringwalburcht aangebracht ter verdediging tegen de Vikingen. Over deze burcht is meer bekend.
Burcht van Rijnsburg
Op de plek tussen de Oude Vliet en de Abdijlaan (zie kaartje hieronder) lag in de vroege Middeleeuwen een echte burcht, in middeleeuwse kronieken terug te vinden als de Rijnsburg. Het was een zogenaamde ringwalburg of vluchtburcht. Dus geen kasteel zoals we dat kennen uit de latere middeleeuwen. De burcht bestond slechts uit een cirkelvormige aarden omwalling omringd door een gracht, met op de wal een palissaden omheining (zie visuele impressie hieronder). Hij bood de bewoners, maar ook die van de omliggende boerderijen en voor zover mogelijk ook hun vee, bescherming tegen plunderingen door met name de Vikingen die in de periode 800-1000 de gebieden langs de grote rivieren teisterden.
De burcht is gebouwd rond het jaar 890, op een strategische plek aan de Vliet ter verdediging van de nederzetting Rodulfsheim. Na de bouw van de burcht werd de nederzetting Rinasburg en nog later Rijnsburg genoemd. De namen Rodulfsheim en Rinasburg zijn terug te vinden in het Goederenregister van de St. Maartens-parochie, de bisschoppelijke zetel van het bisdom Utrecht dat in die tijd vele goederen in West-Frisia in bezit had 1). De vermelding in het Goederenregister is tevens de oudst bekende schriftelijke benoeming van het dorp dat nu Rijnsburg heet.

Illustratie Ulco Glimmerveen, in opdracht en naar ontwerp van gemeente Vlaardingen
Bovenstaande afbeelding is overgenomen uit het boek ‘Holland in het Jaar 1000’ (2023, door Kees Nieuwenhuijsen) en is een reconstructietekening van de ringwalburg van Vlaardingen. Van de Rijnsburg is geen afbeelding bekend, maar bovenstaand plaatje geeft waarschijnlijk een aardig beeld van hoe de Rijnsburg er ongeveer uitgezien kan hebben. Linksonder binnen de palissaden is een kapel getekend zoals er in de Rijnsburg waarschijnlijk ook een gestaan heeft. Opgravingen in 1949 en latere jaren hebben aangetoond dat er al voor de bouw van de burcht een kapel stond. Mogelijk een voorloper van de latere Laurentiuskapel (zie het verhaaltje ‘Laurentiuskerk’ hieronder, na het verhaal over de abdij). Voor de volledigheid: bij de opgravingen op de plaats van de Rijnsburg is geen indicatie gevonden dat er ook een toren gestaan zou hebben. De opgravingen legden wel de sporen bloot van drie van hout en leem opgetrokken woonstalhuizen. Hier woonde oorspronkelijk waarschijnlijk de naamgever van de nederzetting, ene Rodulf, een Friese graaf, en later zijn nazaten.

Bovenstaande plattegrond is overgenomen uit het boek Rijnland in de Donkere Eeuwen (2021, door Freek Lugt). De plattegrond laat zien dat de contouren van de oude burcht nog herkenbaar zijn in het stratenpatroon van het huidige Rijnsburg.
Het einde van de burcht: De latere Graaf Dirk IV liet in de burcht tussen 1039 en 1047 munten slaan, dit tot groot ongenoegen van de bisschop van Utrecht die formeel het muntrecht bezat in deze contreien. In 1047 riep de bisschop daarom de hulp in van de Duitse keizer Hendrik III om de eigenzinnige graaf te straffen. Ondanks dat de burcht bekend stond als zeer sterk, lukte het de strafexpeditie om hem in te nemen en met de grond gelijk te maken. Het terrein en de omgeving bleef echter in grafelijk bezit, wat de latere gravin Petronella van Saksen de mogelijkheid bood om hier in 1133 een abdij te stichten (zie het volgende uitklapvenster ‘Abdij van Rijnsburg’).
1) De naam ‘Holland’ bestond toen nog niet. Het hele westen van wat we nu Nederland noemen heette toen West-Frisia. Pas in 1101 staat het gebied voor het eerst te boek als graafschap Holland.
——- Einde Burcht van Rijnsburg ——-
Na de verwoesting van de burcht in 1047 bleef de nederzetting bestaan en werd in 1133 op deze plek een abdij gebouwd. Deze stond hier tot 1574 toen ook deze werd verwoest aan het begin van de 80-jarige oorlog.
Abdij van Rijnsburg
U staat hier op de plek waar in de middeleeuwen een grote abdij stond. Zij werd gesticht in 1133 door Petronella van Saksen, weduwe van graaf Floris II van Holland. Bijna 450 jaar later, in 1574 werd de abdij verwoest tijdens het beleg van Leiden. De tufstenen toren van de huidige Laurentiuskerk is het enige dat nog resteert van de oorspronkelijke abdij. Zie na dit verhaal over de abdij het uitklapvenster over de ‘Laurentiuskerk’ en een apart verhaal over de ‘Toren van de Laurentiuskerk’.

Op de plattegrond hieronder is de locatie van de abdij bij benadering ingetekend op de plattegrond van het huidige Rijnsburg.

De abdij was van de Benedictinessen orde en bestemd voor adellijke dames. Daardoor heeft er altijd een nauwe band bestaan tussen de abdij en de adel van het graafschap Holland. Hollandse graven en hun families kwamen er vaak op bezoek en velen van hen zijn in de abdijkerk begraven. Hun skeletresten werden blootgelegd tijdens archeologische onderzoeken in de periode 1949-1966. Zij werden herbegraven in 1975 in het nieuw gebouwde Mausoleum achter de kerk.
De abdij was rijk door schenkingen bij intrede van de jonge nonnen en door schenkingen en nalatenschappen van de Hollandse adel. In het museum van het Genootschap Oud Rijnsburg is een interactieve plattegrond van Nederland te zien die de veelheid aan bezittingen toont, verspreid over Holland, Zeeland, en zelfs tot in Utrecht en Brabant.
De abdij en haar huishouding diende eeuwenlang als belangrijke maatschappelijke en economische motor van het dorp Rijnsburg. De abdijkerk deed dienst als parochiekerk en de nonnen verzorgden onderwijs voor bewoners uit Rijnsburg en omgeving.
Zoals gezegd werden de abdij en de abdijkerk in 1574, aan het begin van de tachtigjarige oorlog, verwoest door inwoners van Leiden. Waarschijnlijk om te voorkomen dat de gebouwen gebruikt konden worden door de Spaanse troepen tijdens de belegering. Na de verwoesting bleef de ruïne voor lange tijd een trekpleister voor bezoekers en een inspiratiebron voor kunstenaars. Onderstaande afbeelding is een van de vele die te zien zijn in Museum Oud Rijnsburg. De ruïne werd uiteindelijk gesloopt in 1811.

1753 – Ruïne van de abdij te Rijnsburg, met op de achtergrond de nieuwgebouwde parochiekerk – door Cornelis Pronk
Meer details over het wel een wee van de abdij en het kloosterleven gedurende haar ruim 400-jarige bestaan zijn te vinden in diverse boekwerken, waaronder het monumentale ‘Duizend jaar Rijnsburg’, samengesteld in 1975 door J.B. Glasbergen en S.C.H. Leenheer. Het boek is in te zien in Museum Oud Rijnsburg. Ook is in het museum een animatie te zien hoe de abdij er van buiten en van binnen uit gezien zou kunnen hebben, gebaseerd op de vele ruïne-gravures en bestudering van soortgelijke abdijen in het buitenland die de eeuwen beter hebben doorstaan.
——- Einde Abdij van Rijnsburg ——-
Hieronder vindt u het verhaal van de kerk. Interessant om te vermelden is dat de rechter toren (de zuidelijke toren) het enige bouwsel is dat nog resteert van de oude abdij. Hierover een apart uitklapvenster na het verhaal over de kerk.
Laurentiuskerk
Bestudering van opgravingsresultaten en oude documenten maakt het aannemelijk dat rond 975 de Friese Graaf Dirk II op de plek van de huidige kerk een kapel gesticht heeft gewijd aan de heilige Laurentius (zie Bronnen: ‘Rondom de mondingen van Rijn & Maas etc. van M.F.P. Dijkstra). Ruim 150 jaar later, in 1133, werd naast deze kapel een abdij gesticht, een benedictinessenabdij voor adellijke vrouwen. De abdijkerk werd gebouwd over de fundamenten van de oude Laurentiuskapel.
De abdijkerk ging ook dienstdoen als parochiekerk en had oorspronkelijk twee torens. Reparaties aan de huidige toren (het enige overblijfsel van de oorspronkelijk abdijkerk; zie het aparte uitklapvenster hieronder) doen vermoeden dat de andere, noordelijke toren kort na de bouw verwoest is. Dit kan gebeurd zijn door verzakking in de slappe ondergrond (in vroegere eeuwen liep hier een kreek) of door een grote brand in 1196.
De abdij en de abdijkerk werden in 1574, aan het begin van de tachtigjarige oorlog, verwoest door inwoners van Leiden, waarschijnlijk om te voorkomen dat de gebouwen gebruikt konden worden door de Spaanse troepen tijdens de belegering (zie ook het verhaal over de abdij hierboven). Alleen de toren van de abdijkerk bleef overeind. De abdij werd niet opnieuw opgebouwd, maar wel werd in 1578 begonnen met de bouw van een nieuwe kerk, gebruikmakend van de overgebleven toren. Deze kerk staat te boek als de eerste nieuwgebouwde protestantse kerk in Nederland. De gereconstrueerde contouren van de verdwenen abdijkerk zijn te zien achter de huidige kerk.

Foto genomen vanaf de toren van de Laurentiuskerk, met linksboven de gereconstrueerde omtrek van de oude abdijkerk met midden voor het koor het nieuw gebouwde mausoleum (met groene hekje). Lees hier het verhaal over het Mausoleum.
Een oude kaart uit 1596-1598 toont naast de abdijruïne de in 1578 opnieuw-gebouwde kerk met de in ere herstelde toren.

Plattegrond Symon Aerntsz. van Buningen uit de jaren 1596-1598 – in bezit van Nationaal Archief
In de daaropvolgende eeuwen vond een aantal kerkvergrotingen en herstelwerkzaamheden plaats. Begin jaren 1900 werd een laatste vergroting uitgevoerd die de kerk zijn huidige aanzien gaf. Een grote restauratie vond plaats in de jaren 1980-1981.
Een uitgebreide beschrijving van de werkzaamheden aan de kerk door de eeuwen heen is te vinden in het boekje “De Grote Kerk doet weer Dienst’ , uitgegeven in 1981 bij de afronding van de grote restauratie. Het boekje is in te zien in het Museum van het Genootschap Oud Rijnsburg. Op de website van het Genootschap staat een iets uitgebreider verhaal over de Laurentiuskerk.
Het bekijken waard: in de muur achter de kansel een aantal 13e-eeuwse grafsteenfragmenten. Deze zijn van leden van het Hollandse Gravenhuis en komen uit de oorspronkelijke abdijkerk. Het meest linker fragment wordt toegeschreven aan de stichteres van de abdij, gravin Petronella van Saksen. In de vloer van het schip zijn vijf grafzerken te zien, alle toebehorend aan overleden abdissen; vier zerken komen uit de oorspronkelijke kloostergang van de oude abdij. De vijfde zerk is van Stephana van Rossum, de een-na-laatste abdis. Zij is in 1603 in de toen nieuwe protestantse Laurentiuskerk begraven, na de verwoesting van de abdij. De vloerzerken zijn doorgaans ter bescherming afgedekt met een houten vlonder, maar worden opengesteld op bijzondere dagen zoals de landelijke Monumentendagen.
——- Einde Laurentiuskerk ——-
De Toren van de Laurentiuskerk

De toren eind jaren ’40 van de vorige eeuw, met links het gemeentehuis in die tijd.
De toren van de huidige Laurentiuskerk is het enige wat resteert van de oorspronkelijke abdijkerk waarvan de bouw begon in 1157 in opdracht van Sophia van Rheineck, vrouw van Graaf Dirk VI van Holland (1114-1157). De kerk was oorspronkelijk een Romaanse basiliek met twee torens, opgetrokken in tufsteen dat geïmporteerd werd uit de Eifel in Duitsland.
De noordelijke toren is al in een vroeg stadium verdwenen, hetzij door verzakken in de slappe bodem (in vroegere eeuwen liep hier een kreek) of door de grote brand in 1196.
Bij die brand liep ook de nog bestaande zuidelijke toren grote schade op. Bij de restauratie rond 1200 werd niet meer gebruik gemaakt van alleen tufsteen maar ook van baksteen, in die tijd een nieuwigheid. Aan de binnenkant van de toren is dit nog goed te zien vanaf de 3de verdieping. 1)
In de abdijperiode hingen in de zuidertoren al klokken. In 1492 kreeg de toren nieuwe klokken na een inzameling onder de kloosterlingen en de Rijnsburgse bevolking.
In 1493 werd tegen de noordwand van de toren een groot gebouw neergezet. In documenten de “nye Kamer” genoemd. Het gebouw diende onder andere als slaapzaal (dormter) voor de nonnen.
Na de verwoesting van de abdij en abdijkerk in 1574 verrees achter de overgebleven zuidertoren een kleine protestantse parochiekerk (zie uitklapvenster ‘Laurentiuskerk’ hierboven). Dit was toen de eerste kerk gebouwd in de Nederlanden als specifiek protestantse kerk. In 1579 werd de overgebleven toren voorzien van een uurwerk afkomstig van de Hooglandse kerk in Leiden.

1729 – De Toren met aangebouwde school door Cornelis Pronk
In 1580 werd de noordwand van de toren weer gebruikt voor een aanbouw, deze keer voor een nieuwe school, gebouwd op de 15de-eeuwse fundamenten van de eerder genoemde dormter. Na 1855 werd deze school gesloopt om plaats te maken voor een nieuw gemeentehuis (afgebroken in 1963).
Andere veranderingen aan de oorspronkelijke toren: In 1618 werd aan de westkant een nieuwe ingang gemaakt en in 1830 werd de spits geheel veranderd en werd een ommegang gemaakt, getuige een gedenksteen boven in de toren.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog zijn door de bezetter de klokken uit de toren gehaald om het brons te gebruiken voor de oorlogsindustrie. Het schip waarmee de klokken werden vervoerd zonk. Na de bevrijding werden de klokken teruggevonden en werden zijn zij weer teruggehangen in de toren.
In 1964 volgde een grote restauratie. Tonnen aan tufsteen en nieuw eikenhout werden in de toren verwerkt. In de spits werd een carillon geplaatst en het luiden van de klokken werd geëlektrificeerd.
Na een laatste restauratie in 2022 kan de toren weer jaren mee.
Nb: De toren is, in tegenstelling tot de kerk, eigendom van de gemeente Katwijk.
1) De bakstenen zoals gebruikt bij de restauratie rond 1200 vertonen grote gelijkenis qua formaat, kleur en samenstelling met de bakstenen gebruikt bij de bouw van het oudste gedeelte van het Gravensteen te Leiden, ook gebouwd in de 13de eeuw.
——- Einde Toren van de Laurentiuskerk ——-
Het laatste noemenswaardige object op deze locatie is het standbeeld van Floris V, graaf van Holland en Zeeland van 1256 tot 1296.
Standbeeld Graaf Floris V
Floris V was een machtige Graaf van Holland. Hij werd geboren in 1254 op het Grafelijke Hof van Leiden1) en in 1296 op 42-jarige leeftijd vermoord door ontevreden edelen. Na een omzwerving van zijn overblijfselen via Alkmaar, werd hij uiteindelijk in 1297 begraven in de toenmalige abdijkerk in Rijnsburg, naast zijn vrouw en eerder gestorven kinderen. De in 1949 opgegraven overblijfselen zijn samengebracht met andere opgegraven grafelijke skeletresten in het Mausoleum achter de Laurentiuskerk.

Portret van Floris V, graaf van Holland en Zeeland, met een met veren, edelstenen en parels verfraaid hoofddeksel. De omlijsting is versierd met het wapen van Holland. Datum 1650, gravure en ets door Cornelis Visscher.
Geschiedenis – Al op 12-jarige leeftijd volgde Floris V zijn vermoorde vader Willem II op als Graaf van Holland en Zeeland. Net als zijn vader (en ook om diens moord te wreken) voerde hij voortdurend strijd om de macht met de lagere adel in met name West-Friesland (het huidige Noord-Holland). In 1288 wist hij deze strijd in zijn voordeel te beslechten en ook West-Friesland (en later ook bijna het gehele Nedersticht – de huidige provincie Utrecht) toe te voegen aan zijn territorium. Hij heerste over machtige plaatsen en maakte onder andere van Amsterdam een echte Hollandse stad. Ook liet hij verscheidene burchten bouwen zoals bij Egmond aan de Hoef, Alkmaar, Wijdenes en Medemblik. Onder zijn bewind wordt de bouw van het Binnenhof in Den Haag voltooid, ooit gestart door zijn vader graaf Willem II. Het Binnenhof wordt zijn belangrijkste verblijfplaats, als hij niet onderweg is om zijn bezittingen te beheren, te verdedigen of uit te breiden.
Aan hem wordt, ondanks zijn strijd tegen de West-Friezen, een relatief vreedzaam regime toegeschreven. Belangrijke verdiensten betreffen modernisering van het bestuur, bevordering van de handel, inpoldering van Hollandse wateren en behartiging van de belangen van de boeren ten koste van de adel. Met name door dat laatste wist hij de loyaliteit van de lagere standen te winnen. Zij noemden hem dan ook ‘der keerlen God’. Vrij vertaald als ‘God van de gewone man’.
In 1296, tijdens een gefingeerde valkenjacht, werd Floris V ontvoerd door ontevreden edelmannen en opgesloten in het Muiderslot. Met als doel om hem uit te leveren aan de Engelse koning Edward I die met Floris een politieke rekening te vereffenen had vanwege zijn steun aan de Franse koning. Tijdens een vluchtpoging belandt hij met zijn paard in een sloot waarna hij wordt doodgestoken door zijn ontvoerders, hetgeen ook wel bekend staat als de eerst-bekende Hollandse politieke moord.
Meer informatie over Floris V is te lezen op historiek.net en op npokennis.nl
1) Grafelijke Hof in Leiden: op de website van de Leidse Universiteit staat een lang, maar interessant artikel over het middeleeuwse Grafelijke Hofstelsel (Bachelorscriptie door Marieke Buitelaar; 2013), met in hoofdstuk 3 details over specifiek het Grafelijke Hof van Leiden.
